“Verdorie Sophie, ik spreek net de internist en die heeft je alleen maar naar huis laten gaan omdat jij hem ervan verzekerde dat je je prima voelde. Je kalium is extreem laag en je kunt niet eens normaal een trap oplopen! Kun je mij eens even uitleggen waarom je in het ziekenhuis ‘vergeten’ bent te vertellen over de steken bij je hart die je al weken hebt? ” Mijn huisarts kijkt me gefrustreerd aan. Pas veel later zou ze me vertellen dat ze niet boos was, maar zich ontzettend veel zorgen maakte

 “Ik wilde me gewoon niet aanstellen…” fluister ik, terwijl ik mijn blik op de grond richt. Ik bijt op mijn lip en frummel aan een loszittend touwtje dat onderaan mijn jurkje bungelt.

Er valt een stilte.

“Sophie.. Zóu je je maar eens aanstellen. Jij maakt je drukker om de mening van anderen, dan om het feit dat je een hartritmestoornis hebt! Je bent een tikkende tijdbom, dit kan gewoon niet meer zo. Op deze manier kan ik je veiligheid niet meer garanderen, dus ik neem vanmiddag nog contact op met je arts bij de kliniek. Ik wil dat je zo snel mogelijk wordt opgenomen, want op deze manier vrees ik dat je eind van deze week niet meer in leven bent.”  – juni 2018

Als ik tien minuten later weer buiten sta, neemt de waas in mijn hoofd weer toe. Ik heb niet veel meegekregen van het gesprek, behalve dat mijn huisarts in overleg met de internist heeft besloten dat ik 20 kaliumtabletten per dag moet slikken. Dus ik wandel naar de apotheek, haal mijn recept op, en ga naar huis. Ik ben verschrikkelijk moe en hoewel ik ergens in mijn achterhoofd geschrokken ben door de woorden van mijn huisarts, overheerst de stem van mijn eetstoornis. Het zal zo’n vaart vast niet lopen, toch?

Op dat moment realiseerde ik me niet hoe slecht het ging. Ja, ik had de hele dag door stekende pijn in mijn borst en ik werd ’s nachts vaak wakker omdat mijn hart slagen oversloeg of ineens gigantisch snel begon te kloppen, maar het is verbazingwekkend hoe snel zoiets went. Door mijn slechte fysieke conditie voelde ik nog nauwelijks emoties. Gek genoeg zorgde dat ervoor, dat ik me het grootste gedeelte van de tijd mentaal wel prima voelde. Mijn dagen stonden in het teken van mijn behandeling. Ik liet bloedprikken, deed keihard mijn best om alle afspraken en adviezen van mijn psycholoog op te volgen, en tussendoor sliep ik.

Wanneer aan het eind van de middag mijn telefoon ging en de bloeduitslagen slecht waren, pakte ik mijn fiets en reed ik naar het ziekenhuis. Dat het levensgevaarlijk was om in mijn conditie nog te fietsen, drong niet echt tot me door. Het idee dat ik me zou aanstellen als ik liet zien hoe beroerd ik me écht voelde, overheerste. Dus ging ik door, en door. Tot het me bijna fataal werd.

In de dagen voor mijn opname (waarvan ik op dat moment nog steeds niet geloofde dat hij echt plaats zou gaan vinden), lag de nadruk op het constant houden van mijn bloedwaardes. Er werd me op het hart gedrukt dat het belangrijker was dat ik die kaliumtabletten zou binnen houden, dan dat ik me aan mijn minuscule eetlijst zou houden. Tijdens mijn opname zou ik wel weer leren te eten, de focus lag nu op het mij in leven houden.

Dus at ik nauwelijks, of niet.  

Het gevolg hiervan was dat ik elke dag het gevoel kreeg dat ik zweefde.  Als je me nu zou vragen wat ik die dagen deed, zou ik het je alleen globaal kunnen vertellen. De wereld om me heen bewoog zich voort en ik kreeg daar slechts flarden van mee.

Een week voor ik werd opgenomen, besloot mijn huisarts de volledige zorg over te dragen aan de kliniek. Ze durfde de verantwoordelijkheid niet meer te dragen, en omdat mijn behandelaren het niet verantwoordelijk meer vonden als ik zelf nog met de trein zou reizen, werd ik telefonisch in de gaten gehouden. Tot die ene donderdagmiddag, waarop het vonnis werd uitgesproken.

Ik open met een bonkend hart mijn mail. Mijn handen trillen en even twijfel ik of ik mijn mobiel zal wegleggen: ik wil niet worden geconfronteerd met de woorden die op mijn scherm verschijnen. Uiteindelijk besluit ik het toch te lezen. Het mailtje was kort, maar duidelijk. Morgen om 09:00 is het zo ver. Dan begint de zwaarste strijd die ik ooit heb gevoerd. Ik word opgenomen, en mijn anorexia kan geen kant meer op.