“Dat ga ik echt niet allemaal eten”, ik kijk vol afgrijzen naar de letters op het witte vel papier voor mijn neus, die mijn zogenaamde eetlijst moet voorstellen. “Dit is wat ik normaal gesproken in een hele week eet, dat kan ik echt niet allemaal op één dag!”. Naast me zit een verpleegkundige met blond haar en een kalme uitstraling. “Dan gaan we er even aan sleutelen tot het wel haalbaar is”, zegt ze rustig. 

Na een krappe 20 minuten flink onderhandelen, zijn we eruit. “Maandag kun je met de diëtiste bespreken hoe je vanaf hier verder gaat opbouwen.” Ik verstijf. “Sorry?”. De verpleegkundige glimlacht geruststellend, “dit is ongeveer de helft van wat je minimaal op een dag moet eten om niet verder af te vallen. Jij moet daarnaast ook nog aankomen, dus…” 

Dan valt bij mij het kwartje. Ik kijk van het papiertje, naar de verpleegkundige, en weer terug. “Wacht. Wil je nu zeggen dat ik dit élke dag moet gaan eten? En vanaf maandag nóg meer?”. De verpleegkundige knikt. Ik kreun en laat me achterover vallen tegen de rugleuning van mijn stoel. Mijn grootste nachtmerrie is zojuist realiteit geworden, en ik kan geen kant meer op. 

Het begin van mijn opname liep ronduit ongelukkig. Vanaf het moment dat ik die ochtend de kliniek had betreden, ging letterlijk alles mis wat er mogelijkerwijs mis had kunnen gaan. Mijn hoofdbehandelaar was ziek, dus ik kreeg geen opnamegesprek. Na een dik uur wachten, werd ik uiteindelijk opgehaald door de arts. Mijn spullen werden neergezet in een bezemkast, omdat bleek dat de kamer die voor mij was gereserveerd, nog bezet was. Toen het gesprek met de arts was afgelopen, werd ik rond half 12 ’s ochtends op een bankje in de woonkamer geparkeerd. Na uren te hebben gewacht, werd me om 16:00 ’s middags eindelijk een kamer toegewezen.

Ik wist niet wat me overkwam. In tegenstelling tot het gros van de mensen die rondliep op deze afdeling, was ik nog nooit opgenomen geweest. Ik had weliswaar genoeg dunne vrouwen over de gang zien lopen in de tijd dat ik zelf ambulant in behandeling zat, maar dat was niet te vergelijken met “the real deal” achter de gesloten deuren van een eetstoorniskliniek.

Vlak voor ik werd opgenomen waarschuwde mijn ambulante behandelaar me ervoor dat ik weliswaar doodziek was, maar dat er ook vrouwen waren opgenomen die zó ziek waren dat hun weg terug nog veel langer was dan die van mij.

Ik was weliswaar erg dun, uitgeput en ziek, maar tegelijkertijd stond ik ook nog met één voet in de echte wereld. Ik had dromen en doelen, fantastische vrienden en familie, fijne behandelaren en vertrouwen in de toekomst. Uiteindelijk is dat mijn redding geweest. Hoewel ik voor het starten van @hapjevoorsoof nauwelijks met mensen over mijn eetstoornis praatte, was het contact met mijn familie en vrienden goed, evenals mijn motivatie om te leven. Ik wist dat ik zou gaan genezen, maar voor dat zou gebeuren, moest ik eerst erkennen hoe ziek ik was. En dat heeft best wel een tijdje geduurd.

Waar ik het meeste van schrok, was de confrontatie met de ernst van anorexia. Ik wist niet wat ik had verwacht, maar dit niet. Er waren broodmagere vrouwen die ruzie maakten over de hoeveelheid boter op hun brood, vrijwel iedereen rookte, en hoewel praten over eten strikt verboden was, lag het gesprek van de dag op de maaltijd van die avond.

Ik voelde me misplaatst, alsof iemand me over 5 minuten zou vertellen dat er een foutje was gemaakt, en ik weer terug naar huis zou mogen. Zo ziek was ik niet, en ik hoorde hier niet. Vond ik. Maar niemand kwam, en toen ik eind van die middag de sleutels van mijn kamer kreeg, drong tot me door dat ik écht één van de patiënten was. Dus besloot ik dat er maar één manier was dit te ontwijken, namelijk door samen met mijn nog ingepakte koffers rechtsomkeert te maken.

Diezelfde middag stond ik opnieuw voor de deur, dit keer met het doel om naar huis te gaan. De behandelaren zagen dat ik serieus was, en nog geen 5 minuten later werd het opnamegesprek -waarvan eerder was beweerd dat er niemand was die daar tijd voor had- geregeld. Samen met een arts, sociotherapeut en een psycholoog die snel even was ingesprongen, maakte ik afspraken. Tot maandag, dan zou mijn eigen behandelaar vast wel terug zijn. Ik knikte braaf, maar stiekem was ik vastbesloten om mijn behandelaar maandag te overtuigen dat ik weer gezond genoeg was om naar huis te gaan.

En zo nam ik die avond plaats aan tafel, waar ik mijn eerste portie van de ontelbare gekookte aardappelen die ik nog zou gaan eten, met lange tanden naar binnen werkte.

Maandag mag ik vast weer naar huis. Maandag ben ik genezen. Echt.